Gedicht, voorgedragen in de afscheidsdienst van Gerda Kammeijer

DOMME DOOD

Dood…
Wie denk je wel dat je bent?
Waar haal je het lef vandaan
om blind om je heen te slaan?
Jij bestaat bij de gratie van leven.
Heb je dan geen enkel respect
voor wie je volkomen willekeurig
geniepig sloopt en nekt?

Dood…
Hoe kijk jij naar jezelf?
Wat zie jij in de spiegel
als je je zwarte masker afzet?
Je moet je de ogen
uit je doodskop schamen.
De grimlach van je lippen schrapen.
De ijslaag van je hart ontdooien.
Jij moederziel verlaten zielenpoot.

Dood…
Waarom uitgerekend zij?
Jij zwijgt in duizend dode talen,
Omdat je maar wat doet.
Nietsontziend om je heen maait.
Gewetenloos je levens graait,
niet wetend wat je aanricht en vernielt.

Ja, dood, ik ben kwaad op je.
Op wie anders?
Ik weet heus wel dat het nergens op slaat.
Dat jij ook maar
een ongeleid projectiel bent.
Onlosmakelijk verbonden met ons leven.
Niet meer dan kille kou te geven.
Jij hebt geen roer, geen routekaart.
Jij bent mijn woede niet eens waard.
Jij hebt geen woning, geen adres.
Alleen een zwaard van Damocles.

Toch klaag ik jou aan en niet God
die, naar ik weet, ook liefde heet.
Hij is er in het hoogste lied
en ook in peilloos diep verdriet.
Die met je mee huilt, hoop ik dan,
omdat hij dood niet hebben kan.
Het spijt me, dood, dat ik jou dis.
Het is verdriet. Het is gemis.

Dood…
Denk maar niet dat jij de winnaar bent.
Dat jij de strijd met overmacht,
en glorieus gewonnen hebt.
Ja, je hebt haar lichaam uitgehold,
haar cellen stuk voor stuk gemold,
maar wie zij diep vanbinnen is,
daar kun jij, dood,
met jouw tentakels zelfs niet bij.

Het stempel dat zij achterlaat,
staat eeuwig in ons hart gegrift.
Haar energieke levensdrift.
Haar humor die de ernst
zo weergaloos verzacht.
Haar zorgen om wie zij bemint,
haar hand die snel het goede vindt;
haar wil om te presteren geeft ons kracht.

Haar snelheid die jou stil laat staan,
die harder raast dan een orkaan.
Haar vechtlust als het duister naakt.
De chaos die zij orde maakt.
Haar trouw aan wie dat nodig heeft.
De energie die zij je geeft.
Vakantie als een grote kans.
Met Peter samen naar La France.

Al die herinneringen, dood,
kun jij met honderd zeisen niet bedreigen.
Geen vezel van haar wezen breekt
als jij een poging waagt.
Jij zal in alle eeuwigheid
geen grip op Gerda krijgen.
Haar liefde is voor altijd
wat ons steunt en wat ons draagt.

Dus, domme dood,
Jij blijft met lege handen.
Jij ziet verslagen toe
hoe of het leven wint.
Jouw zinloos povere pogingen
die zullen altijd stranden
op wat de mens gezaaid heeft,
waardoor iets nieuws begint.

© Gerard van Midden