Eucharistieviering 28 maart 2021: 9.15 uur vanuit Achterveld

Link viering: https://www.youtube.com/channel/UC-nQ0vDbVUL8zOAY-y6pFUA

Liturgieboekje in PDF: Liturgieboekje 28 maart 2021 Palmzondag

Liturgboekje in Word:

Liturgie voor Palmzondag, 28 maart 2021

Openingszang: Hosanna, zoon van David, uit Psalm 118 II, GvL 118 II strofe 9

Dit is de dag, die God deed rijzen, juicht nu met ons en weest verblijd.

O God, geef thans uw gunstbewijzen, geef thans het heil door ons verbeid.

Gezegend zij de grote koning die tot ons komt in ’s Heren naam.

Wij zeegnen U uit ’s Heren woning, wij zegenen U al tezaam.

Begroeting

Zegening van de Palmtakken

Evangelie van de intocht (Marcus 11, 1-10)

Toen Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem naderden, in de richting van Betfage en Betanië op de olijfberg,

zond Hij twee van zijn leerlingen uit met de opdracht: “Gaat naar het dorp daar vóór u, en bij uw binnenkomst is het eerste, dat ge zult vinden een veulen, dat vastgebonden staat, en waarop nog nooit iemand gezeten heeft; maakt dat los en brengt het hier. En als iemand u de aanmerking maakt: Wat doet ge daar?, antwoordt dan: De Heer heeft het nodig, maar Hij stuurt het spoedig weer hier terug.” Zij gingen weg en vonden een veulen vastgebonden aan een deur buiten op straat. Ze maakten het los, maar sommige mensen, die daar in de buurt stonden, riepen hun toe: “Wat doet ge daar, om zomaar dat veulen los te maken?” Ze antwoordden zoals Jezus hun had gezegd en de mensen lieten hen ongemoeid. Ze brachten het veulen bij Jezus, legden er hun mantels overheen en Hij ging er op zitten. Velen spreidden hun mantels op de weg uit, anderen groene takken, die ze in het veld gehakt hadden. De mensen, die Hem omstuwden, jubelden: “Hosanna; Gezegend de Komende in de Naam des Heren; Geprezen het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in den hoge!”

Woord van de Heer. Wij danken God.

Toen Jezus naar zijn stede ging, GvL 525 strofen 1, 2 en 4

Refrein:   Wij zingen Hosanna, de koning ter eer;

Gezegend die komt in de naam van de Heer.

Toen Jezus naar zijn stede ging zes dagen voor zijn lijden,

Ten naderde een lange stoet die hem een welkom wijdde: Refrein

Zij hebben kleren uitgespreid, Hem toegezwaaid met palmen;

Zij lieten heel Jeruzalem Van hun nieuw lied weergalmen. Refrein

Wij voeren naar Jeruzalem de Koning met ons mede;

Wij trekken uit het Oud Verbond Om ‘t Nieuwe te betreden. Refrein

Gebed

Eerste Lezing (Jesaja 50, 4-7)

God de Heer heeft mij de gave van het woord geschonken; ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken.

Elke morgen spreekt Hij zijn woord, elke morgen richt Hij het woord tot mij en ik luister met volle overgave.

God de Heer heeft tot mij gesproken en ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en bespuwden. God de Heer zal mij helpen: daarom zal ik niet beschaamd staan en ik zal geen spier vertrekken. Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.

Woord van de Heer. Wij danken God.

Antwoordpsalm 22 I God mijn God, GvL 22 I strofen 1-3

Refrein: God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten.

Mijn God, roep ik overdag, en Gij zwijgt, ik roep het ’s nachts, en Gij laat mij maar roepen. Refrein

Onze vaderen hadden vertrouwen in U, vertrouwen, en Gij zijt hun redding geweest. Refrein

Zij riepen U en Gij waart hun uitkomst, en nooit hebt Gij dat vertrouwen beschaamd. Refrein

Tweede Lezing (Fil. 2, 6-11)

Broeders en zusters,

Hij, die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de Naam verleend, die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van zijn Naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer.

Woord van de Heer. Wij danken God.

Het lied van het lam en de herder GvL 413 (melodie GvL 530) strofen 1-3

Christus heeft voor ons geleden als een beeld van ons bestaan,

dat wij zover zouden gaan in zijn voetstappen te treden.

Die geen zonde heeft bedreven, uit wiens mond niet is gehoord

enig onvertogen woord, maar de adem van het leven.

Die wanneer Hij werd geslagen, zelfs zijn mond niet opendeed,

die niet dreigde als Hij leed, maar het zwijgend heeft verdragen.

Passieverhaal (Marcus: 15, 1-39)

L = lezer of lektor

C = Christus (priester)

A = allen

P = andere bijbelse personen

L In de vroege morgen kwamen zij tot een besluit: de hogepriesters met de oudsten en schriftgeleerden,

heel het Sanhedrin. Zij boeiden Jezus, voerden Hem weg en leverden Hem uit aan Pilatus.

Pilatus stelde Hem de vraag:

P “Zijt Gij de koning der Joden?”

L Hij antwoordde hem:

C “Gij zegt het.”

L Toen de hogepriesters vele beschuldigingen tegen Hem inbrachten, ondervroeg Pilatus Hem weer en zei:

P “Geeft Gij in het geheel geen antwoord? Zie eens wat voor beschuldigingen ze tegen U inbrengen.”

L Maar Jezus gaf volstrekt geen antwoord meer, zodat Pilatus verbaasd was. Nu was hij gewoon bij elk feest één gevangene vrij te laten, degene om wie zij vroegen. Er zat juist een zekere Barabbas gevangen onder de oproermakers; zij hadden bij het oproer een moord begaan. Het volk kwam opzetten en begon te vragen

dat hij voor hen zou doen zoals altijd. Pilatus antwoordde daarop met de vraag:

P “Wilt ge dat ik de koning der Joden zal vrijlaten?”

L Hij zag wel in dat de hogepriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden. Maar de hogepriesters hitsten het volk op te vragen dat hij toch liever Barabbas moest vrijlaten. Nu nam Pilatus weer het woord en vroeg hun:

P “Wat moet ik dan doen met Hem, die gij de koning der Joden noemt?”

L Nu schreeuwden ze opnieuw:

A “Kruisig Hem!”

L Daarop vroeg Pilatus hun:

P “Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?”

L Maar zij schreeuwden nog harder:

A “Kruisig Hem!”

L Omdat Pilatus het volk zijn zin wilde geven, liet hij Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden.

Nu brachten de soldaten Hem het paleis binnen, dat wil zeggen het pretorium, en riepen de hele afdeling bij elkaar. Ze hingen Hem een purperen kleed om, vlochten een doornenkroon en zetten Hem die op. Vervolgens gingen zij Hem het saluut brengen:

A “Gegroet, koning der Joden.”

L Zij sloegen Hem met een rietstok op het hoofd, bespuwden Hem en brachten Hem hulde door op de knieën te vallen. Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden, ontdeden zij Hem van het purperen kleed,

trokken Hem zijn eigen kleren aan en voerden Hem weg om Hem te kruisigen. Zij vorderden een voorbijganger die van het veld kwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, tot het dragen van zijn kruis. Zo brachten ze Hem naar de plaats Golgota, wat vertaald wordt met schedelplaats. Daar boden ze Hem met mirre gekruide wijn aan, maar Hij weigerde. Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren en dobbelden om wat ieder krijgen zou. Het was het derde uur toen ze Hem kruisigden. Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: De koning der Joden. Samen met Hem kruisigden ze ook twee rovers, de een rechts, de ander links van Hem. Zo ging in vervulling dit Schriftwoord: Hij is onder de booswichten gerekend. Voorbijgangers hoonden Hem, terwijl ze het hoofd schudden en zeiden:

A “Ha, Gij daar die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, kom van het kruis af en red U zelf.”

L In dezelfde geest zeiden de hogepriesters en de schriftgeleerden spottend onder elkaar:

A “Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden. Die Messias, die koning van Israël, laat Hem nu van het kruis afkomen; dan zullen we zien en geloven!”

L Zelfs die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem beschimpingen toe.

Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land tot aan het negende uur toe.

En op het negende uur riep Jezus met luider stem:

C “Eloï, Eloï, lama sabaktani!”

L Dit is vertaald: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Enkele omstanders die het hoorden zeiden:

A “Hoor, Hij roept Elia.”

L Een van hen ging een spons halen, drenkte die in zure wijn, stak hem op een rietstok en bood Hem te drinken, terwijl hij zei:

P “Laat me begaan! We willen eens zien of Elia Hem er af komt halen.”

L Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.

Hier knielen allen gedurende enige tijd.

Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeën. De honderdman, die tegenover Hem post had gevat en zag dat Hij onder zulke omstandigheden de geest had gegeven, riep uit:

P “Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.”

L Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken; onder hen bevonden zich Maria Magdalena,

Maria, de moeder van Jakobus de jongere en van Joses, en Salóme. Zij waren Hem in de tijd, dat Hij in Galilea verbleef, gevolgd om voor Hem te zorgen; verder nog vele andere vrouwen,die met Hem naar Jeruzalem gekomen waren.

Het was al avond geworden en het was Voorbereiding, dat wil zeggen de dag voor de sabbat.

Jozef van Arimatéa, een vooraanstaand lid van de Hoge Raad, die zelf ook in de verwachting van het Rijk Gods leefde, waagde het daarom naar Pilatus te gaan en te vragen om het lichaam van Jezus.

Pilatus stond er verwonderd over dat Hij reeds dood zou zijn; hij liet dan ook de honderdman roepen

en vroeg hem of Hij al gestorven was. Nadat hij door de honderdman op de hoogte was gebracht,

stond hij welwillend het lijk aan Jozef af. Deze kocht een lijnwaad, nam Hem van het kruis en wikkelde Hem in het lijnwaad. Daarop legde hij Hem in een graf, dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang ervan. Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses zagen toe waar Hij werd neergelegd.

Woord van de Heer. Wij danken God.

Het lied van het lam en de herder GvL 413 (melodie GvL 530) strofen 4-6

Die de zonde heeft gekorven in zijn lichaam aan het hout,

dat gij Gode leven zoudt, aan de zonde afgestorven.

Door wiens striemen gij genezen, door wiens dood gij levend zijt,

levend in rechtvaardigheid, taal en teken van Gods wezen.

Als eertijds verdoolde schapen thans den Herder toegewijd,

die u in de waarheid weidt. Uw Bewaarder zal niet slapen.

Overweging

Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde en in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer, die ontvangen is van de heilige Geest geboren uit de maagd Maria die geleden heeft onder Pontius Pilatus is gekruisigd, gestorven en begraven Die nedergedaald is ter helle de derde dag verrezen uit de doden die opgestegen is ten hemel zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader. Vandaar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden Ik geloof in de heilige Geest de heilige katholieke kerk, de gemeenschap van de heiligen de vergeving van de zonden, de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven.  Amen.

Gezongen acclamatie bij de voorbede:

Heer, wees voor ons een bron van heil

Bereiden van de altaartafel

Pr: Bidt broeders en zusters dat mijn en uw offer aanvaard kan worden, door God, de almachtige Vader.

allen: Moge de Heer het offer uit uw handen aannemen, tot lof en eer van zijn Naam, tot welzijn van ons en van heel zijn heilige Kerk.

Gebed over de gaven
Gezongen GvL 291

Heilig, heilig, heilig de Heer,

de God der hemelse machten!

Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

Hosanna in den hoge.

Gezegend Hij die komt in de naam des Heren.

Hosanna in den hoge.

Acclamatie na de consecratie:

Redder van de wereld, bevrijd ons, Gij die ons hebt verlost door uw kruis en verrijzenis.

Onze Vader 
Onze Vader, die in de hemel zijt, uw naam worde geheiligd,

uw rijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood

en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren,

en breng ons niet in beproeving, maar verlos ons van het kwade.

Pr: Verlos ons, Heer, van alle kwaad, geef genadig vrede in onze dagen, dat wij, gesteund door uw barmhartigheid, altijd vrij mogen zijn van zonde, en beveiligd tegen alle angst en onrust, terwijl wij uitzien naar de zalige vervulling van onze hoop, de komst van onze Verlosser Jezus Christus.

allen:  Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in eeuwigheid.

Vredesritus
Pr: Heer Jezus Christus, Gij hebt aan uw apostelen gezegd: ‘Vrede laat Ik u; mijn vrede geef Ik u’, let niet op onze zonden, maar op het geloof van uw kerk; vervul uw belofte: geef vrede in uw naam en maak ons één, Gij, die leeft in eeuwigheid.

allen: Amen
Pr: De vrede des Heren zij altijd met u.
allen: En met uw geest.

Breken van het Brood – gezongen GvL 331

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons (2x)

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, geef ons de vrede.

Communie

Zegen

Slotzang: O hoofd vol bloed en wonden GvL 511, strofen 1-3

O Hoofd, vol bloed en wonden, met smaad gedekt en hoon,

o godd’lijk Hoofd omwonden met scherpe doornenkroon!

O Gij, die and’re kronen en glorie waardig zijt:

Ik wil mijn hart U tonen, dat met U medelijdt.

 

Mijn God die zonder klagen, het zwaarste hebt doorstaan:

al wat Gij had te dragen, wie heeft het U gedaan!

Wee mij, die voor de zonden het hoogste goed verliet!

O, om Uw bloed en wonden, verstoot mij, zondaar niet!

 

O hoofd vol bloed en wonden, o Gods onschuldig Lam

Dat voor der mensen zonden, de schulden op zich nam!

Wat zal ik U dan geven voor zoveel smaad en smart?

Heer, neem mijn korte leven, Heer, neem mijn schamel hart!