Goede vrijdag 2 april 2021 19.00 uur vanuit Achterveld

Link viering: https://www.youtube.com/channel/UC-nQ0vDbVUL8zOAY-y6pFUA

Liturgieboekje in pdf: Goede Vrijdag liturgieboekje 2021

Liturgieboekje in Word:

Goede Vrijdag, 2 april 2021

Sint Lucasparochie

Achterveld

Voorgangers: Pastoor Harrold Zemann en diaken Rini Bouwman

Koor: Pieter Struyk, Juliëtte Struyk-Schouten, Michiel vd Ham, Marit vd Ham-Schouten, Henri Schouten

Piano: Arthur Bouma

Kruis wordt binnengedragen in stilte. 

Lied: Blijf bij mij (koor)

Gemeenschap van Taizé, muziek: J. Berthier

Blijf bij mij en wacht hier met mij.
Wakend en biddend, wakend en biddend.

Eerste lezing: uit de profeet Jesaja (Jes. 52. 13-15. 53. 1-12)

Zie mijn dienaar zal succesvol handelen, hij zal worden verhoogd en verheven en zeer verheerlijkt. Zoals velen over hem ontsteld hebben gestaan zo misvormd was hij, zo onmenselijk van voorkomen en zijn schoonheid beneden die van mensenkinderen. Zo zal hij vele volkeren slaan met verbazing, koningen zullen hun mond voor hem sluiten, want wat hun niet verteld is aanschouwen zij en wat zij niet hebben gehoord, zien zij in. Wie kon geloven wat wij hebben gehoord

en over wie is de arm van de Heer zichtbaar geworden? Hij is geprezen als een alleenstaande loot en als een wortel uit dorre grond; hij had gestalte noch luister, zodat wij naar hem konden zien, geen voorkomen zodat wij hem zouden kunnen begeren.

Veracht en door de mensen verstoten, Man van smarten en door lijden gerijpt; als een die zijn gelaat voor ons heeft verborgen, veracht en door ons niet geteld. Toch waren het onze pijnen die hij droeg onze smarten die hij op zich nam.

Wij daarentegen beschouwden hem als een getroffene, als iemand die door God is geslagen en vernederd Hij is echter doorboord om onze zonden, mishandeld om onze misdaden,

want op hem rust de straf voor ons heil en door zijn striemen is er genezing voor ons. Wij allen dwaalden als een kudde, ieder ging zijn eigen weg; de Heer liet op hem neerkomen de misdaad van ons allen en mishandelde hem en hij heeft het aanvaard, hij heeft zijn mond niet geopend. Als het lam dat naar de slachtbank geleid wordt en als het schaap dat voor zijn scheerder verstomt, zo heeft hij zijn mond niet geopend. Door een gewelddadige rechtspraak is hij weggerukt. Wie is er nog die denkt aan zijn leven? Hij is immers weggenomen uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk tot de dood toe geslagen. Men geeft hem een graf bij de misdadigers en bij de rijken een rustplaats ofschoon hij geen onrecht gepleegd heeft

en er geen bedrog is geweest in zijn mond. Het heeft de Heer behaagd hem met slagen te pijnigen. Al brengt hij zichzelf ten offer toch zal hij een nageslacht zien, zijn dagen verlengen en de wens van de Heer zal door zijn hand vervuld worden. Om zijn zwoegen zal hij licht zien en worden verzadigd. Door zijn inzicht zal mijn dienaar als rechtvaardige velen rechtvaardigen

en hun misdaden zal hij op zich Iaden. Daarom zal Ik hem deel geven onder de groten, en met machtigen zal hij de buit verdelen omdat hij zijn ziel prijsgaf aan de dood en onder de zondaars gerekend is. Hij draagt immers de zonden van velen

en is voor de zondaars een voorspraak.

Woord van de Heer – Wij danken God    

Lied: Mensen van God (GvL 503, koor)

Niet als een storm, als een vloed,
niet als een bijl aan de wortel
komen de woorden van God,
niet als een schot in het hart.

Maar als een glimp van de zon,
een groene twijg in de winter,
dorstig en hard deze grond
zo is het koninkrijk Gods.

Stem die de stilte niet breekt,
woord als een knecht in de wereld,
naam zonder klank zonder macht,
vreemdeling zonder geslacht.

Kinderen, armen van geest,
mensen gelouterd tot vrede,
horen de naam in hun hart,
dragen het woord in hun vlees.

Blinden herkennen de hand,
dovemansoren verstaan Hem.
Zalig de man die gelooft,
zalig de vrouw aan de bron.

Niet in het graf van voorbij,
niet in een tempel van dromen,
hier in ons midden is Hij,
hier in de schaduw der hoop.
Hier in dit stervend bestaan
wordt Hij voor ons geloofwaardig,
worden wij mensen van God,
liefde op leven en dood.                                                           

Tweede lezing: Uit de brief aan de Hebreeën (Heb. 4, 14-16, 5,7-9

Broeders en zusters,

Nu wij een verheven hogepriester hebben, een die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, nu moeten wij vasthouden aan onze belijdenis. Want wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden.

Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde. Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te verkrijgen en tijdige hulp.

In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en geween gebeden en smekingen opgedragen aan God die Hem uit de dood kon redden. Om zijn vroomheid is Hij verhoord: hoewel Hij Gods Zoon was heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd; en toen Hij het einde had bereikt is Hij voor allen die Hem gehoorzamen oorzaak geworden van eeuwig heil.

Woord van de Heer – Wij danken God

Lied: De koning van de vrede (GvL 425, koor)

De koning van de vrede komt in de hoofdstad aan,
de mensen zijn gezegend, hij komt in Godes naam.
Doet open nu de poorten, de koning moet er door,
och Here, geef nu voorspoed, zo roepen zij in koor.

Maar zullen zij geloven en nemen zij Hem aan
of zullen zij Hem doden en Gode wederstaan?
Ik zie de koning komen die op een ezel rijdt,
de palmen van de bomen zijn voor zijn voet gespreid.

Maar morgen is het anders, dan wordt Hij zelf verhoogd,
en aan de boom gehangen en als een vrucht geoogst.
Gij hogepriester Anna, wat roept Jeruzalem?
Het roep vandaag “Hosanna” en morgen “weg met Hem”.

En machtige Pilatus, wat riep men voor uw huis?
Vandaag “de Zoon van David” en morgen “aan het kruis”
En vorst van Galilea, Herodes, wat hoort gij?
Vandaag is ‘t “Halleluja” en morgen al voorbij.

En grote hogepriester, wat hoort gij Kajafas?
Vandaag is het “Messias” en morgen “Barabbas”
Wat hoort men in de straten van deze tempelstad?
‘t Is heden “Maranatha” en straks de stem der haat.

Evangelie: Het Lijdensverhaal volgens Johannes      (Joh., 18, 1-19, 42)

P= priester, D= diaken, L= lector A= allen.

P     Het lijdensverhaal van onze Heer Jezus Christus

volgens Johannes

D    In die tijd ging Jezus met zijn leerlingen naar buiten,

naar de overkant van de beek Kedron.

Daar was een boomgaard die Hij met zijn leerlingen      binnenging. Maar ook Judas die Hem zou overleveren kende deze plaats omdat Jezus er dikwijls met zijn leerlingen was samengekomen. Zo kwam Judas daarheen        met de afdeling soldaten en met dienaars van de hogepriesters en Farizeeën, voorzien van lantaarns, fakkels en wapens. Jezus, die alles wist wat over Hem ging komen, trad naar voren en zei tot hen:

P     „Wie zoekt gij?”

D    Zij antwoordden Hem:

A     „Jezus de Nazoreeër.”

D    Jezus zei hun:

P     „Dat ben Ik.”

D    Ook Judas, zijn verrader, bevond zich bij hen.         Nauwelijks had Jezus hun gezegd: Dat ben Ik, of zij weken achteruit en vielen op de grond. Nog eens vroeg Hij hun:

P     „Wie zoekt gij?”

D    Zij zeiden:

A     „Jezus de Nazoreeër.”

D    Jezus antwoordde:

P     „Ik heb u gezegd dat Ik het ben.

„Als gij Mij zoekt, laat deze mensen dan gaan.”

D    Vervuld moest worden wat Hij gezegd had:

Niemand van hen die Gij Mij gegeven hebt liet Ik verloren gaan. Maar Simon Petrus had een zwaard bij zich. Hij trok het en verwondde daarmee de knecht van de hogepriester door hem het rechteroor af te slaan. De naam van die knecht was Malchus. Jezus echter sprak tot Petrus:

P     „Steek dat zwaard in de schede; zou Ik de beker niet drinken die mijn Vader Mij gegeven heeft?”

D    De afdeling met de bevelhebber en de dienaars van de Joden grepen toen Jezus vast, boeiden Hem en brachten Hem eerst naar Annas. Deze was namelijk de schoonvader van Kájafas die dat jaar hogepriester was, dezelfde Kájafas die aan de Joden de raad had gegeven:

Het is beter dat er één mens sterft voor het volk.

Simon Petrus en nog een andere leerling volgden Jezus.

Die leerling nu was een bekende van de hogepriester       en zo ging hij tegelijk met Jezus het paleis van de hogepriester binnen, terwijl Petrus buiten de poort bleef staan. Die andere leerling, de bekende van de hogepriester, kwam naar buiten, sprak met de portierster en bracht Petrus naar binnen.

Het meisje dat aan de poort stond vroeg Petrus:

L     „Ben je ook niet een van de leerlingen van die man?”

D    Hij zei:

L     „Welneen.”

D    Omdat het koud was hadden de knechten en dienaars een houtskoolvuur aangelegd en stonden zich te warmen. Ook Petrus stond bij hen en warmde zich. De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en zijn leer.

Jezus antwoordde hem:

P     „Ik heb openlijk tot de wereld gesproken.

„Ik heb altijd onderricht gegeven in een synagoge of in de tempel waar alle joden bijeenkomen en er is niets wat Ik in het geheim heb gesproken.

„Waarom ondervraagt gij Mij ?

„Ondervraag de mensen die gehoord hebben wat Ik hun heb verkondigd.

„Die weten goed wat Ik heb gezegd.”

D    Op dit woord gaf een van de dienaars die naast Hem stond

Jezus een klap in het gezicht en voegde Hem toe:

L     „Antwoordt Gij zo de hogepriester?”

D    Jezus antwoordde hem:

P     „Indien Ik iets verkeerds gezegd heb verklaar dan wat er verkeerd in was; maar indien het goed was waarom slaat gij Mij?”

D    Daarop zond Annas Hem geboeid naar de hogepriester Kájafas. Simon Petrus stond zich te warmen toen iemand hem vroeg:

L     „Ben ook jij niet een van zijn leerlingen?”

D    Hij ontkende het en zei:

L     „Welneen.”

D    Maar een van de knechten van de hogepriester, een bloedverwant van de man wie Petrus het oor had afgeslagen zei:

L     „Heb ik je niet in de boomgaard bij Hem gezien?’

D    Petrus ontkende het opnieuw en meteen begon er een haan te kraaien.

Lied (koor)

Hagios o Theos, Sanctus Deus, Heilige God.
Heilige onsterfelijke God, ontferm u over ons.

D    Toen brachten ze Jezus van het huis van Kájafas naar het pretorium. Het was vroeg in de morgen. Zelf gingen zij het pretorium niet binnen want ze moesten het paasmaal kunnen eten en mochten zich daarom niet verontreinigen.

Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg hun:

L     „Welke beschuldiging brengt gij tegen deze man in?”

D    Zij gaven hem ten antwoord:

A     „Als dit geen misdadiger was zouden wij Hem niet aan u hebben overgeleverd.”

D    Daarop zei Pilatus:

L     „Neemt Hem dan zelf en vonnist Hem volgens uw Wet!”

D    De Joden antwoordden hem:

A     „Wij missen het recht om iemand ter dood te brengen.”

D    Zo zou Jezus’ woord in vervulling gaan waarmee Hij had aangeduid welke dood Hij zou sterven. Nu ging Pilatus het pretorium binnen, riep Jezus bij zich en zei tot Hem:

L     „Zijt Gij de koning der Joden?”

D    Jezus antwoordde hem:

P     „Zegt gij dit uit uzelf of hebben de anderen u over Mij gesproken?”

D    Pilatus gaf ten antwoord:

L     „Ben ik soms een Jood?

„Uw eigen volk en de hogepriesters hebben U aan mij overgeleverd. „Wat hebt Gij gedaan?”

D    Jezus antwoordde:

P     „Mijn koningschap is niet van deze wereld.

„Zou mijn koningschap van deze wereld zijn dan zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben dat Ik niet aan de Joden werd uitgeleverd.

„Mijn koningschap is evenwel niet van hier.”

D    Pilatus hernam:

L     „Gij zijt dus toch koning?”

D    Jezus antwoordde:

P     „Ja, koning ben Ik.

„Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid.

„Alwie uit de waarheid is luistert naar mijn stem.”

D    Pilatus zei tot Hem:

L     „Wat is waarheid ?”

D    Na die woorden ging hij weer naar buiten tot de Joden en zei:

L     „Ik vind hoegenaamd geen schuld in Hem.

„Maar er bestaat onder u de gewoonte dat ik met Pasen iemand vrijlaat.

„Wilt gij dus dat ik u de koning der Joden vrijlaat?”

D    Toen begonnen ze opnieuw te schreeuwen:

A     „Neen, Die niet maar Barabbas!”

D    Barabbas was een rover.

Toen liet Pilatus Jezus geselen.

De soldaten vlochten een kroon van doorntakken,        zetten Hem die op het hoofd en wierpen Hem een purperen mantel om.

Ze traden op Hem toe en zeiden:

A     „Gegroet, koning der Joden !”

D    En zij sloegen Hem in het gezicht.

Pilatus ging weer naar buiten en zei tot hen:

L      „Ziehier, ik breng Hem naar buiten om u te doen weten

dat ik volstrekt geen schuld in Hem vind.”

D    Jezus kwam dus naar buiten terwijl Hij nog de doornenkroon en de purperen mantel droeg.

Pilatus zei tot hen:

L     „Ziehier de mens.”

D    Maar toen de hogepriesters en hun dienaars Hem zagen schreeuwden ze:

A     „Kruisigen, kruisigen !”

D    Pilatus zei hun:

L     „Neemt gij Hem dan en kruisigt Hem want ik vind geen schuld in Hem.”

D    De Joden antwoordden hem:

A     „Wij hebben een Wet en volgens die Wet moet Hij sterven

        omdat Hij zich voor Gods Zoon heeft uitgegeven.”

D    Toen Pilatus dit hoorde werd hij nog meer bevreesd.

Hij ging het pretorium weer binnen en sprak tot Jezus:

L     „Waar zijt Gij vandaan?”

D    Jezus gaf hem echter geen antwoord.

Daarom zei Pilatus:

L     „Gij spreekt niet tegen mij ?

„Weet Ge dan niet dat ik de macht heb om vrij te spreken

maar ook de macht heb om U te kruisigen?”

D    Jezus antwoordde:

P     „Ge zoudt volstrekt geen macht over Mij hebben als u die niet van boven gegeven was.

„Daarom is de zonde van hem die Mij aan u heeft overgeleverd groter.”

D    Van dit ogenblik af wilde Pilatus ertoe overgaan Hem vrij te laten. Maar de Joden schreeuwden:

A     „Als ge die man vrijlaat zijt ge geen vriend van de keizer.

„Wie zich voor koning uitgeeft komt in verzet tegen de keizer.”

D    Toen Pilatus hen dit hoorde roepen liet hij Jezus naar buiten brengen en ging op de rechtersstoel zitten op de plaats die Litóstrotos heet, in het Hebreeuws Gabbata.         Het was de voorbereidingsdag voor Pasen, ongeveer het zesde uur. Hij zei tot de Joden:

L     „Hier is uw koning.”

D    Maar zij schreeuwden:

A     „Weg, weg met Hem ! Kruisig Hem !”

D    Pilatus vroeg:

L     „Zal ik dan uw koning kruisigen?”

D    De hogepriesters antwoordden:

L     „Wij hebben geen andere koning dan de keizer!”

D    Toen leverde hij Hem aan hen uit om de kruisdood te ondergaan, en zij namen Hem over.

Lied: Via Dolorosa (koor)

Tekst en muziek: Billy Sprague en Niles Borop

Down the Via Dolorosa in Jerusalem that day,
The soldiers tried to clear the narrow street;
But the crowd pressed in to see the man condemned to die on Calvary.

Refrein:
Down the Via Dolorosa, called “The Way of Suffering,”
Like a lamb, came the Messiah, Christ the King,
And He chose to walk that road out of His love, for you and me,
Down the Via Dolorosa all the way to Calvary.

He was bleeding, from a beating, there were stripes upon His back,
And He wore a crown of thorns upon His head;
And He bore with ev’ry step the scorn of those who cried out for His death. Ref:

The blood that would cleanse the souls of all men
made its way thru the heart of Jerusalem! Jerusalem! Ref:

Vertaling:
Die dag in de Via Dolorosa in Jeruzalem,
De soldaten probeerden de smalle straat leeg te maken;
Maar de menigte drong zich bijeen om de man te zien die was veroordeeld te sterven op Golgotha.

Refrein:
In de Via Dolorosa, genaamd “De Lijdensweg”
Als een lam, kwam de Messias, Christus Koning,
En Hij koos ervoor om die weg te bewandelen uit Zijn liefde, voor jou en mij, door de Via Dolorosa helemaal naar Golgotha.

Hij bloedde, van een pak slaag, er waren strepen op zijn rug,
En Hij droeg een doornenkroon op zijn hoofd;
En Hij droeg eik stap de minachting van degenen die riepen om Zijn dood. Ref:

Het bloed dat de zielen van alle mensen zou reinigen, maakte zijn weg door het hart van Jeruzalem! Jeruzalem! Ref:

D:   Zelf zijn kruis dragend trok Jezus de stad uit naar wat de Schedelplaats heet, in het Hebreeuws Golgota. Daar sloegen zij Hem aan het kruis, en met Hem nog twee anderen, aan elke kant een en Jezus in het midden.       Pilatus had ook een opschrift laten maken en op het kruis doen aanbrengen. Het luidde: Jezus, de Nazoreeër, de koning van de Joden. Vele Joden lazen dit opschrift,         want de plaats waar Jezus gekruisigd werd lag dicht bij de stad. Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks. De hogepriesters van de Joden nu zeiden tot Pilatus:

L     „Ge moest er niet op zetten: ‘de koning van de Joden’ maar:

‘Hij heeft gezegd: Ik ben de koning van de Joden’.”

D    Pilatus antwoordde:

L     „Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.”

D    Toen de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen ze zijn kleren en deelden ze in vieren, voor iedere soldaat een deel. Ze namen ook de lijfrok die echter zonder naad was, aan één stuk geweven van bovenaf. Daarom zeiden ze tot elkaar:

L     „Laten we die niet scheuren maar er om loten wie hem krijgt.”

D    Aldus moest de Schrift vervuld worden: Zij verdeelden mijn kleren onder elkaar en dobbelden om mijn gewaad.

Terwijl de soldaten hiermee bezig waren stonden bij Jezus’ kruis zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. Toen Jezus zijn moeder zag en naast haar de leerling die Hij liefhad         zei Hij tot zijn moeder:

P     „Vrouw, zie daar uw zoon.”

D    Vervolgens zei Hij tot de leerling:

P     „Zie daar uw moeder.”

D    En van dat ógenblik af nam de leerling haar bij zich in huis.

Hierna, wetend dat nu alles was volbracht zei Jezus, opdat de Schrift vervuld zou worden:

P     „Ik heb dorst.”

D    Er stond daar een kruik vol zure wijn.

Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond.

Toen Jezus van de zure wijn genomen had, zei Hij:

P     „Het is volbracht.”

D    Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest.

(Hier knielen allen enige ogenblikken)

Aangezien het voorbereidingsdag was en de Joden niet wilden dat de lichamen op sabbat aan het kruis bleven

– het was bovendien een grote sabbat – vroegen zij aan Pilatus verlof de benen van de gekruisigden te breken en hen weg te nemen. Daarom kwamen de soldaten en sloegen zowel bij de ene als bij de andere die met Hem was gekruisigd de benen stuk.

Toen zij echter bij Jezus kwamen en zagen dat Hij reeds dood was sloegen zij Hem de benen niet stuk, maar een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans;

terstond kwam er bloed en water uit.

Die het gezien heeft getuigt hiervan; zijn getuigenis is waar en hij weet dat hij de waarheid zegt, opdat ook gij zoudt geloven.

Dit is gebeurd opdat de Schrift zou vervuld worden:

Van zijn gebeente zal niets worden verbrijzeld,

terwijl nog een ander Schriftwoord zegt:

Zij zullen opzien naar Hem die zij hebben doorstoken.

Jozef van Arimatéa, die een leerling was van Jezus, maar in het geheim uit vrees voor de Joden, vroeg daarna aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen. Toen Pilatus dit had toegestaan ging hij dus heen en nam het lichaam weg. Nikodémus, die Hem vroeger ‘s nachts bezocht had, kwam ook en bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond.

Zij namen het lichaam van Jezus en wikkelden het met de welriekende kruiden in zwachtels, zoals bij een Joodse begrafenis gebruikelijk is.

Op de plaats waar Hij gekruisigd werd lag een tuin en in die tuin een nieuw graf waarin nog nooit iemand was neergelegd.

Vanwege de voorbereidingsdag van de Joden en omdat het graf dichtbij was legden zij Jezus daarin neer.

Lied: Were you there (koor)

Negro Spiritual

Were you there when they crucified my Lord?
Were you there when they crucified my Lord?
Sometimes it causes me to tremble, tremble, tremble.
Were you there when they crucified my Lord?

Were you there when they nailed Him to the tree?
Were you there when they nailed Him to the tree?
Sometimes it causes me to tremble, tremble, tremble.
Were you there when they nailed Him to the tree?

Were you there when they laid Him in the tomb?
Were you there when they laid Him in the tomb?
Sometimes it causes me to tremble, tremble, tremble.
Were you there when they laid Him in the tomb?

Vertaling:
Was jij erbij toen ze mijn Heer kruisigden? (2x)
Soms geeft het mij aanleiding tot beven,
was jij erbij toe ze mijn Heer kruisigden?

Was jij erbij toe ze Hem aan de boom nagelden? (2x)
Soms geeft het mij aanleiding tot beven,
was jij erbij toe ze Hem aan de boom nagelden?

Was jij erbij toen ze Hem in het graf legden? (2x)
Soms geeft het mij aanleiding tot beven,
was jij erbij toen ze Hem in het graf legden?

Moment van stilte

Voorbeden

Voor een ieder is er nu gelegenheid

een kaarsje bij het kruis te zetten.

Lied: Dans nos obscurités (koor)

Tekst: Gemeenschap van Taizé, muziek: J. Berthier

Dans nos obscurités,
alume le feu qui ne s’éteint jamais,
qui ne s’éteint jamais.

Vertaling:
In onze duisternis,
steek een vuur aan dat nooit wordt gedoofd,
die nooit wordt gedoofd.

Gebed (staande)

Lied:  Wait for the Lord (koor)

Tekst: Psalm 27,14, muziek: J.Berthier

Wait for the Lord, whose day is near.
Wait for the Lord: keep watch, take heart!

Vertaling:
Zie uit naar God, zijn dag komt gauw.
Zie uit naar God: sta op, houd moed!

Uittocht in stilte