Weeklezing Henk Bloem 23 februari 2020

ZEVENDE ZONDAG DOOR HET JAAR 23 februari 2020. (A)
Schriftlezingen: Lev. 19.1-2; 17-18 en Mattëus 5.38-48

Wees (g)een heilig boontje.

 – Leviticus 19.1 “Wees heilig want ik de Heer uw God ben heilig”. Hier wordt ons God zelf als spiegel voorgehouden. Mattheus 5.48 citeert dat volgens de Willibrord vertaling als: “Wees onverdeeld goed zoals uw hemelse Vader onverdeeld goed is” en de NBV als: “Wees volmaakt  zoals, enz.”. Kunnen we dat? Je kunt je beter aan mensen spiegelen, dan kun je je makkelijker verontschuldigen met: “Die doet het ook, ze doen ’t allemaal”. Het is als een worst die ons wordt voorgehouden, waar je naar hapt, maar nooit echt te pakken krijgt. Maar misschien hebben we zo’n worst, zo’n uitdaging nodig om niet in verontschuldigingen te blijven steken.

– We belijden ons geloof: “ik geloof in de ene heilige, katholieke en apostolische kerk”. In de film: ‘The two popes’ wordt de paus begroet met: “heilige vader…”. Paus Franciscus zegt in zijn schrijven: ‘Over de roeping tot heiligheid in de hedendaagse wereld’, o.a.: “God wil dat we heilig zijn en verwacht niet dat we tevreden zijn met een middelmatig, verwaterd, onsamenhangend bestaan”. (blz. 40)

– De paus begint zijn schrijven over de roeping tot heiligheid met een VREDESWENS: ‘Vrede aan alle mensen en naties van de aarde’. En hij noemt dan met name de 250 miljoen migranten in de wereld, van wie er 22,5 miljoen vluchteling zijn. En zegt daarna: “We zijn alleen geroepen heilig te zijn door in liefde te leven en ieder in de bezigheden van iedere dag, daar waar hij zich bevindt, een eigen getuigenis af te leggen…”, en dan concretiseert hij: “Ben je gehuwd: wees dan heilig door lief te hebben en te zorgen voor je echtgenoot/-ote… Ben je arbeider: wees dan heilig door op een eerlijke en bekwame wijze je werk te verrichten … Ben je ouder of oma of opa: Wees dan heilig door de kinderen geduldig te leren Jezus te volgen…” Heel gewoon en praktisch.

Henk Bloem, pastor

De zusters van liefde, Tilburg, vonden zich in deze tekst:

Er zijn mensen

ze leefden voor jou en ze komen na je,

naast jou leven ze en soms tegenover je.

Ze zijn heilig zoals jij.

Ze dragen een wonder in zich zoals jij en je kunt dit ontdekken.

Maar ze zijn niet zoals jij, ze hebben een eigen gezicht en dat is het ene, onherhaalbare, nieuwe gezicht van elke mens afzonderlijk.

Ze hebben een eigen grond en wortelen in eigen bodem.

Maar in de diepte zijn onze wortels verstrengeld in dezelfde grond.

Er zijn planten, vruchten en bloemen, en vogels en vissen en andere dieren en wolken en stenen.

Ze zijn heilig zoals jij en zoals de ander.

Je bent voortdurend met die andere bezig, je vormt hun leven, wekt hun gevoel, wordt hun tot zorg, en de anderen zijn voortdurend met jou bezig.

Wij zijn samen één groot verhaal en vertellen elkaar voort in kleine verhalen.

En er is Iemand die elk verhaal kent en die meevertelt naar de toekomst toe.

Blogs

Bemin uw naaste als u zelf. 

– Er is dikwijls op gewezen dat ‘als jezelf’ een bijstelling is bij ‘je naaste’ en niet bij ‘beminnen’. Dan staat er dus: ‘bemin je naaste, zij/hij is als jezelf’. De naaste is dus een spiegel voor ons – je ziet jezelf!

– Een jongen staat bibberend van de kou op blote voeten voor een schoenwinkel. Een mevrouw vraagt “Hoezo blote voeten?” De jongen: “Ik vraag God om schoenen”. De vrouw neemt hem mee de winkel in, vraagt een teiltje warm water, wast zijn voeten en koopt sokken en schoenen voor hem. En als hij de veters van zijn nieuwe schoenen strikt, vraagt hij: “Bent u soms de vrouw van God?”

Thomas van Aquino: “We moeten beiden beminnen, hen wier opvattingen wij delen en hen wier opvattingen we afwijzen, want ze hebben zich beiden ingespannen om te zoeken naar de waarheid en beiden hebben ons geholpen die te vinden”.

Een monnik van Tiberine zegt in 1996 bij de uitvaart van zijn vermoorde medebroeders: “Wij moeten binnentreden in de wereld van de ander, of dat nu een christen of een moslim is. Want als ‘de andere’ niet bestaat, is er ook geen echte ruimte voor liefde. We moeten ons laten ‘storen’ en verrijken door het bestaan van de andere.

– ‘Trouw’ bericht in 2019 dat Tim Krabbé die contact had met de moordenaar van Jan Heijn, zei: “Natuurlijk is hij geen monster, dan schuif je de verantwoordelijkheid af. Hij was zozeer vergelijkbaar met mezelf dat ik dacht: ik moet kunnen begrijpen hoe hij daartoe gekomen is. Hij was een zielige schoft. Ik wil deze schoft verdedigen tegen het publiek dat hem alléén maar een schoft wil vinden.”

F. Savater, ‘Het goede leven, ethiek voor mensen van morgen’, blz.107: “Door termen van afkeuring in de mond te nemen (hij is een dief, zij is een leugenaar, die vent is een oplichter) dreigen we te vergeten dat personen die zich hebben misdragen, toch nog steeds mensen zijn en mensen blijven”.

Paul Moyaert zegt, sprekend over Nietzsches uitspraak dat het christendom inzake naastenliefde ‘geen maat kent’, dat naastenliefde geen zaak is van rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid wordt bij de wet geregeld. Maar naastenliefde is, en dat heeft het christendom goed gezien, een doorn in het oog, een steen des aanstoots. De rechtvaardigheid heeft nog niemand geïrriteerd, de naastenliefde wel. De naastenliefde drijft zichzelf op de spits in het gebod: ‘heb je vijand lief’. Dan moet je een misdadiger vergeven die geen berouw toont. Dat is niet te pruimen. Maar dát is het wezen van de christelijke naastenliefde.

Cicero, ‘De amicitia’, (XV, 57) vraagt zich af of een man net zo voor zijn vriend moet voelen als hij voor zichzelf voelt. En dan zegt hij: “Nee, want er zijn dingen die we nooit voor onszelf maar wel voor een vriend zouden doen”.

Ph. Claudel, ‘Het verslag van Brodeck’, Bezige Bij 2008, is een mooie roman over: ‘De ander’, met o.a. de zin: ‘…De man was een spiegel, weet je zonder een woord te zeggen liet hij iedereen zien hoe hij eruit zag. Misschien was hij wel de laatste gezant van God voordat Hij de boel opdoekt en de sleutel weggooit. Ik ben het afvoerputje, maar hij is de spiegel. En spiegels breken altijd.(blz.146)

– Als jij

 Als jij het vraagt draai ik je hoofd, breng ik je handen bij elkaar, ‘t rietje van de thee tot aan je mond; tussen jou en het plafond sla ik een uitgelezen bladzij om.

Help je hoesten. Vanzelf kijk je omhoog tussen de zwaluwen en de wolken door, van boven staat de wereld open. Verten hebben wij gemeen. Denk niet dat ik ze nader ben omdat ik wel kan lopen.
(H. Hoenselaars)

En als toegift:

Raak?

Ik scoor altijd in het goede doel maar dan vertelt men mij dat ik een halve wedstrijd achterloop uit: ‘Geen Kaas’ (Utrechtse dakloze)